Vervliegt

In de zwangere,
woordloos gesprokene
stroom van gezegdes
verstom ik.

Ik proef de textuur van je huid,
de kleur van je ogen
ligt op mijn lippen
en vervliegt.

Ik volg de lijnen langs je haar,
je slaap en je zij
en ik veeg, grijp,
raap en verwoord bij elkaar.

Maar bij ieder woord
dat ik spreek,
breekt het beeld
weer een beetje
af.

IMG_3954 2.jpg

Harmonie

Het is alsof
De schemer de omgeving tot zwijgen wenkt
De zachte bries mijn pas terugbrengt
Tot de vaart waarmee het avondrood
Voor het nachtblauw plaatsmaakt

Tot het punt waarop ik stil word gezet
Verdwaasd voel dat de zee ruist
En het helmgras zachtjes stuit op de wind

En ik plots weet wat het is
De avond in het verlengde ligt van mijzelf
En de werkelijkheid zich laat vatten
In slechts twee woorden:
‘Ik leef’

IMG_3169

Als een kind

Overrompeld in het leven geworpen
Ontdaan, paniek, gehuil, geschreeuw
In een waas van kleuren, vage vormen
In de kosmos, chaos, instabiel

Alles is mogelijk, alles verwonderlijk
Alles is groter, absurd en buiten bereik
Maar als ik ooit wil lopen moet ik
Leren grijpen wat mij overstijgt

En dan, later, wanneer alles gestold is
Als alles werkt, als ik kan lopen en genoegzaam leef
Waarom zou ik dan in hemelsnaam nog moeten geloven
In de onrust van dat wat groter dan mij heet?

kleuren

We kunnen er niet bij

Ik ga hier een docent van me parafraseren, die doceerde over het vroege universum, dat wil zeggen het universum van vlak na de gepostuleerde ‘Big Bang’ van 13,8 miljard jaar geleden. Hij vertelde ons dat naarmate we, als sterrenkundigen, conceptueel terug in de tijd gaan en modellen proberen te maken van ons universum in de verleden tijd, er steeds minder empirisch materiaal beschikbaar is en de modellen van hoe het universum destijds in elkaar stak steeds onzekerder worden. Sinds mijn docent dit gezegd heeft, is een beeld bij me blijven hangen van een onzekerheid die toeneemt naarmate we verder terugkijken1 in de tijd, met de Big Bang als een soort verticale asymptoot waar de onzekerheid naar het oneindige divergeert, alle natuurwetten ontoereikend blijken en we als blinden in het duister tasten. De vaste grond, die we vanuit het heden met een redelijke zekerheid hebben kunnen afkaderen, lijkt op zijn grondvesten te schudden wanneer we ons op het verleden richten, en het fundament stort definitief ineen wanneer we het Begin bereiken.

We hebben het universum niet in onze macht. Lees verder