Stil maar Bewogen – Ouverture (deel 1/4)

Op de vraag hoe het met ons gaat, hebben we vaak maar een antwoord: We hebben het te druk. In dit verhaal gaan we steeds op zoek naar wat er gebeurd als dit even wegvalt. Wat betekent stilte nog in onze 21e -eeuwse leefwereld? Een verhaal verweven met gedachten over stilte, God, en ons. De beschreven gebeurtenissen zijn echt, de namen zijn echter fictief.

Op een vroege zaterdagochtend zoefde ik met twee vrienden van mij door het Hollands laagland. Een lappendeken van weilanden begraasd door koeien en begrensd door water en bomenrijen flitste voorbij terwijl ik in gedachten nog bij de borrel was die vijf uur eerder was geëindigd in een treurig feest op een vreemde sociëteit. Wij hadden elkaar meegesleurd naar een stilteweekend. Wij gingen op retraite – zoals men het ook wel wil noemen in het jargon van onze subcultuur. We wilden de rust opzoeken, en een van ons had dit adres geboekt en gemaild met ene Daniël. Meer informatie dan dit had ik niet. Ik was slaapdronken mijn bed uitgerold, had haastig een rugtas volgegooid en hoopte vurig dat ik niet mijn tandenborstel was vergeten.

Onder begeleiding van Johnny Cash in een auto waar Cd’s haar relevantie hadden behouden hobbelden we een modderpad op in het midden van Nederland. We reden de auto het gras in en stapten uit op een bescheiden landgoed. Er stonden twee grote, witte, landelijke huizen, omringd door bomen en hoog gras. Een zelfgemaakte schommel hing stil; een lege waslijn. Hier en daar een slingerende steen of een weggeroest werktuig. Het uitzicht werd gevuld door iets wat deed denken aan wijnranken – een vergelijking te wijten aan mijn gebrek aan groene vingers– uitstrekkende tot het verdwijnpunt in kaarsrechte rijen. De scheiding moest er zijn. Hier werd het land weer tot orde gedwongen en deze rimpeling gladgestreken.

We knarsten over een grindpad en liepen naar de deur. Een man met donker haar en een ronde bril verwelkomde ons. Daniël kreeg een gezicht. Hij leidde ons een eetzaal binnen waar we aansloten bij de nasleep van het ontbijt. De ruimte was sober. Aan de muren hingen kleedjes en borden, zoals je die ook wel bij je oma kon vinden. Ik schudde veel handen, lachte vriendelijk, en onthield twee namen. Daniël las een psalm ter opening van de dag. We kregen thee. We raakten in gesprek met onze tafelgenoten. We zaten met twaalf aan een lange houten tafel op houten stoelen. Enkele studenten, een oudere man die hier al sinds 2009 kwam. Een stel met hun twee kinderen, waarvan de peuter op een zitje aan het hoofdeinde prijkte alsof hij de koning was en deze kamer zijn troonzaal. Het enige wat dit gezelschap samenbracht, de vraag:

– Zeg, wat brengt jou hier?

We kregen een rondleiding door het huis. Het was landelijk, met grote hoge kamers, verbonden met grote, brede deuren die altijd op een kier staan. De vloer was een mozaïek van parket, tapijt en vloerkleden. Er was een wc waarin ik niet rechtop kon staan. Alles was zelfgebakken of gebreid. Het meubilair van stoelen, tafels en banken was samengeraapt maar uitverkoren. Deze harmonische wanorde voelde haast buitenlands aan. Toch voelde we ons thuis en vergaten bijna dat we te gast waren. De keuken leek Frans in haar opgeruimde chaos. Er hingen kruiden en pannen als dromenvangers aan de muur. Het hele huis deed aan als een agiturismo – ik voorspelde dat er ook nog een hond, twee katten en een aantal kippen ergens moesten rondlopen – en net toen ik dit bedacht en al bijna de olijfbomen rook en de krekels hoorde wees Daniël naar het prikbord in de hal. Hij wees onze kamers aan op de plattegrond. Ik bespeurde iets Amerikaans in zijn tongval. Tweemaal was ‘Vriend van Jos’ doorgestreept en vervangen met onze namen. We liepen door het met vloerbedekking bekleden trappenhuis naar onze kamers. De storm had de ruiten van een kamer eruit geblazen. Het huis is altijd ‘onder construction’ aldus Daniël.

Aangekomen op mijn kamer zette ik met alle wilskracht die ik had mijn telefoon uit. Dag wereld, hallo tijd. De studietijd was begonnen, en een koebel zou ons het ritme van studie, maaltijden, koffie, werk en lezingen aangeven. In een grote schuur met een mossig dak was een bibliotheek ingericht. Er lagen boeken op de tafels in kleurrijke stapels. Er stond een grijze computer uit de vorige eeuw – zonder internet, natuurlijk. De donkere plafondbalken doorkliefden de stille zaal. Ik streek neer voor een raam en staarde naar buiten met drie boeken in mijn handen die ik wilde lezen om mij nuttig te maken. Ik sloeg met mijn hand op mijn rechterbovenbeen ter hoogte van mijn broekzak. Het was stil. Ik deed niets.

Het tweede deel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s