We kunnen er niet bij

Ik ga hier een docent van me parafraseren, die doceerde over het vroege universum, dat wil zeggen het universum van vlak na de gepostuleerde ‘Big Bang’ van 13,8 miljard jaar geleden. Hij vertelde ons dat naarmate we, als sterrenkundigen, conceptueel terug in de tijd gaan en modellen proberen te maken van ons universum in de verleden tijd, er steeds minder empirisch materiaal beschikbaar is en de modellen van hoe het universum destijds in elkaar stak steeds onzekerder worden. Sinds mijn docent dit gezegd heeft, is een beeld bij me blijven hangen van een onzekerheid die toeneemt naarmate we verder terugkijken1 in de tijd, met de Big Bang als een soort verticale asymptoot waar de onzekerheid naar het oneindige divergeert, alle natuurwetten ontoereikend blijken en we als blinden in het duister tasten. De vaste grond, die we vanuit het heden met een redelijke zekerheid hebben kunnen afkaderen, lijkt op zijn grondvesten te schudden wanneer we ons op het verleden richten, en het fundament stort definitief ineen wanneer we het Begin bereiken.

We hebben het universum niet in onze macht.

Op meerdere plekken ben ik mij de laatste tijd gewaar geworden van dit principe. Ik laat hier graag filosoof Albert Camus aan het woord, over de wetenschap en atomen:

Alle wetenschap hier op aarde [is] niet bij machte mij ervan te overtuigen dat deze wereld van mij is. U beschrijft mij de wereld en leert mij hoe men haar moet klassificeren. U noemt al haar wetten op en in mijn dorst naar kennis neem ik ze voor waar aan. U laat zien hoe de wereld in elkaar zit en mijn hoop neemt toe. Uiteindelijk leert u mij dat dit schitterende en bontgekleurde universum slechts uit nietige atomen is opgebouwd, die op hun beurt uit nog kleinere elektronen bestaan. Dat is allemaal prachtig en ik wacht op wat u verder te zeggen heeft. Maar dan gaat het over een onzichtbaar planetair stelsel waarin elektronen om een kern draaien. U gebruikt een beeld om de wereld voor mij te verklaren. Op die manier belanden we midden in de poëzie en besef ik dat ik de wereld nooit zal kennen. […] Zo verandert de wetenschap die mij alles moest verklaren in een hypothese, gaat de duidelijkheid verloren in een metafoor en loopt de onzekerheid uit op een kunstwerk.2

Het atoommodel van Camus is gedateerd (ook voor zijn tijd), maar dat zei hem, als literair filosoof, vergeven. Actuelere modellen zijn voorgevloeid uit de kwantummechanica, ze hebben de onzekerheid kwantitatief omarmd en het atoom gemodelleerd als complexe wiskundige ‘golffuncties,’ waaraan heel precies aan te rekenen valt, maar waar nog steeds debat is over wat er nu de juiste voorstelling van zou zijn, hoe we dit model zouden moeten interpreteren. Tegenwoordig kunnen we het atoom, een bouwsteen van ons universum, dus niet anders meer denken dan in ‘de poëzie’ van abstracte wiskundige concepten, aldus Multatuli:

Herinner u – of weet, als ge dit nooit mocht hebben vernomen – dat wiskunde in-geenendeele ’n zoogenaamd droog vak is… […] Het weinige dat ik er van weet, was me steeds een der rykste en zuiverste bronnen van poëzie.3

Over die wiskunde gesproken: ook hier is, ten slotte, een vergelijkbare tendens zichtbaar geworden, tijdens het begin van de vorige eeuw. Men richtte zich in die tijd op de fundamenten van de wiskunde en probeerde een rigoreus, axiomatisch systeem te formuleren waaruit de totaliteit van wiskundige kennis als een logische gevolgtrekking direct zou moeten volgen. Benoemenswaardig zijn hier Bertrand Russel en Alfred Whitehead die drie omvangrijke delen vol hebben geschreven om een dergelijk logisch construct te maken, getiteld Principia Mathematica (1910-13). Dit is zo rigoreus dat ze naar verluid pas halverwege deel twee op het punt zijn gekomen waar ze konden bewijzen dat één en één twee is.

Ook deze behoefte naar ultieme afkadering is uiteindelijk onbevredigd gebleven. Een dergelijke agenda is onhaalbaar verklaard door Kurt Gödel, die met een soort zelf-refererend mechanisme wiskundig heeft aangetoond, ironisch genoeg, dat een dergelijk systeem altijd inconsistent of incompleet moet zijn.4

De wetenschap heeft zijn succes aangetoond, dat is onomstotelijk en probeer ik ook niet te ontkennen. Bovengenoemde takken van de wetenschappelijke boom floreren als geen ander. Maar we hebben ons wel vertrouwd moeten maken met een fundament dat principieel ongrijpbaar is. Zo ben ik langzamerhand gaan kijken naar de wetenschap als pragmatisch middel dat stappen met zevenmijlslaarzen zet, maar waarvan de fijne details en de meest diepe fundamenten uiteindelijk nooit te vatten zijn. Met deze bewustwording lopen we misschien wel meer dan vroeger verdwaasd rond in een wereld waarvan we de regelmaat zien en zo veel mogelijk proberen uit te buiten, maar waarvan we maar niet kunnen vatten hoe irrationeel de grond van deze rationele werkelijkheid lijkt te zijn. Camus concludeert, na de observatie die ik hierboven citeerde:

Ik sta weer op het punt waar ik begonnen ben. Al ben ik in staat om met behulp van de wetenschap verschijnselen te begrijpen en te analyseren, dit houdt niet in dat ik de wereld kan begrijpen. Al zou ik met mijn vingers het hele aardoppervlak aftasten, dan zou ik de wereld toch niet beter kennen. De wetenschap laat mij de keus tussen een beschrijving die weliswaar klopt maar waar ik niets van leer en hypothesen die leerzaam heten te zijn, maar niet kloppen.5

Als een verademing klinkt voor mij dan ook de zin die hier vlak voor komt:

Ik leer veel meer wanneer ik naar de golvende heuvels kijk en de avond voel die zijn hand op mijn onrustig hart legt.6

Een prachtig sentiment, waar ik verder niet te veel woorden aan vuil wil maken (want daarin ligt nu juist zijn kracht). In plaats daarvan wil ter afsluiting ik de lezer verzoeken om, met dit zinnetje in het achterhoofd, eens te kijken naar Der Wanderer über dem Nebelmeer (Caspar David Friedrich, c. 1819) die een verwonderende blik werpt, op een wereld waar hij niet bij kan.

schilderij

Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer (c. 1819)


1 Sterrekundigen ‘kijken’ letterlijk terug in de tijd: wanneer ze kijken naar een sterrestelsel dat een miljard lichtjaar hier vandaan staat, heeft het licht dat ze opvangen een miljard jaar gereisd voor het hier gemeten wordt en kijken we dus naar een plaatje van dat sterrestelsel van een miljard jaar geleden.
2 A. Camus, De Myte van Sisyfus, Een Essay over het Absurde (1942), vert. Anton van Waarden (1975), Amsterdam: De Bezige Bij, p. 27f.
3 Multatuli, Ideën III, nr. 599 & 600 (1876)
4 De details laat ik in het midden, niet in het minst omdat ze tot op zekere hoogte ook mij ontgaan. Voor een goede, intuïtieve gewaarwording van het werk van Gödel, en voor veel meer dan dat, refereer ik graag aan het magistrale Gödel, Escher, Bach: an Eternal Golden Braid (1979) van Douglas Hofstadter.
5 De Myte van Sysifus, p. 28
6 Ibid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s