God zoeken bij hem die God doodverklaarde

“Eigenlijk zou ik een kring van diepzinnige en tedere mensen om me heen moeten hebben, die me enigszins tegen mezelf zouden beschermen en me ook konden opbeuren: want voor iemand die het soort dingen denkt dat ik genoodzaakt ben te denken, ligt voortdurend het gevaar van zelfdestructie op de loer.”1

Nietzsche in zijn nagelaten fragmenten. Herfst 1885.

De ‘filosoof met de hamer’ welke als geen ander heilige huisjes intrapte. Bovenstaand fragment laat iets zien van zijn denken. Nietzsche kende, naar eigen zeggen, geen uitsluitend intellectuele problemen – hij ‘leefde met zijn intellectuele problemen als zijnde de werkelijkheid, hij ervoer een vergelijkbare emotionele verbintenis daarmee, als andere mannen dat ervaren naar hun vrouw en kinderen toe.’ Gedachten, stelt hij, zijn bij de meesten een ‘echo en na-effect van je ervaringen: zoals een kamer trilt wanneer een rijtuig passeert. Ik echter, zit in het rijtuig, en vaak ben ik het rijtuig zelf.’ Een commentator van Nietzsche stelt dat het verschil ‘tussen denken en voelen, intellect en passie’ echt verdwenen was. ‘Hij voelde zijn gedachten. Hij kon verliefd worden op een idee. Een idee kon hem ziek maken.’2

Nietzsche leefde in de zelfverzekerde negentiende eeuw, dat in het teken stond van wetenschap en vooruitgang, maar ook van moralisme en vroomheid – ‘een cultivering van deugden en een obsessief fascinatie met zonden.’3 Hij verwerkte de existentiële klap van de wetenschappelijke revolutie, die zich tegen het Aristotelisch-Scholastische metafysische beeld van de wereld keerde. Deze manier van kijken was ongeveer tweeduizend jaar de norm geweest in Europa. Kenmerkend was dat de natuur teleologisch van aard was – dat wil zeggen dat het natuurlijke zijnde verklaard konden worden aan de hand van een intrinsiek doel wat zich bevond in het wezen zelf. Met de wetenschappelijke revolutie keek men heel materialistisch naar de wereld, en was men in de overtuiging dat deze enkel uit atomen en natuurwetten bestaan. De onderliggende teleologie werd daarmee als ontoereikend, subjectief, of in zijn geheel onwaar gezien.

Nietzsche is bekend geworden om zijn vernietigende nihilisme. Hij dacht tot in het extreme door wat het betekent als er geen intrinsiek doel in de dingen meer is. Toen de ‘dwaas’ de boodschap bracht dat God dood was, en dat wij hem hadden vermoord, beschreef Nietzsche dit als volgt: ‘In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle horizonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog wel een boven en beneden? Dolen wij niet als door een oneindig niets? Ademt ons niet de ledige ruimte in het gezicht?’4 Bovenstaande uitspraak komt uit het boek De Vrolijke Wetenschap (1882). Daarna schreef hij Aldus Sprak Zarathoestra (1885), een poëtische gelijkenis van wat hij eerder beschreef in De Vrolijke Wetenschap – Gods dood. Een half jaar later schreef Nietzsche de quote op waarmee dit artikel begint, over zijn verlangen naar een kring diepzinnige en tedere mensen, die hem zouden weerhouden van zijn zelfdestructie.

Voor Nietzsche betekende de dood van God, dat er geen ‘rustplaats meer was, waar we alleen hoeven te vinden en niet te zoeken.’ Dit kunnen we ook interpreteren als het doel dat vroeger intrinsiek in de dingen zat, er niet is. Daarentegen moeten we zoeken – zelf betekenis creëren. Tomáš Halík interpreteert Nietzsche zijn zoektocht als een worsteling met God. Hij stelt dat juist de ervaring van Gods afwezigheid verwijst naar God. Hierin, in de twijfel en in de worsteling, kunnen we nader tot elkaar komen. Erich Fromm brengt Nietzsche, dominees en alle zinzoekers bij elkaar. In plaats van een onderscheid tussen hen die geloven en niet-geloven, benadrukt hij een ander onderscheid. De mensen die ‘het leven ervaren als probleem, als een “vraag” welke een antwoord behoeft.’ En aan de andere kant hen, die niet deze ‘diepe onrust voelen over de existentiële dichotomieën van het leven. Leven is geen probleem voor hen; zij zijn niet gemoeid met een behoefte aan een oplossing.’5 Zij – in Paul Tillich’s woorden: ‘onverschillige atheïsten dan wel conventionele christenen’ – blijven ten diepste onverschillig ten opzichte van God en het mysterie.6

Voor Nietzsche bestonden geen puur intellectuele problemen, hij voelde, leefde, onderging zijn ideeën en gedachten. Vanuit deze context kunnen we enigszins begrijpen voor welke zelfdestructie hij bang was. Nietzsche kon niet anders denken – hij was genoodzaakt het te denken. Eenieder die hem niet begreep, of het met hem oneens was, deed hij af met de woorden: ‘Je moet slachtoffer zijn van dezelfde passie.’7 Dit moedigt mij aan om te gaan, slachtoffer te worden van deze passie, om te zoeken naar richting – een plek om te gaan. Om te zoeken naar een antwoord op de vraag van het leven – het mysterie. Maar niet alleen. Laat mij een kring verzamelen van diepzinnige en tedere mensen om mij heen, die mij enigszins, niet geheel, tegen mezelf kunnen beschermen en mij ook kunnen opbeuren als dat nodig is.


1 Nietzsche, F., Nagelaten Fragmenten [deel 6] (Nijmegen: Sun, 2001) p. 13
2 Nietzsche, F., Thus Spoke Zarathustra (Londen: Penguin Classics, 2003) pp. 11-12
3 Halik, T., Geduld met God. (Zoetermeer: Pelckmans, 2017) p. 41
4 Halik, T., Geduld met God. (Zoetermeer: Pelckmans, 2017) p. 14
5 Fromm, E., You shall be as Gods (Londen: Lowe & Brydone, 1967) p. 58
6 Halik, T., Geduld met God. (Zoetermeer: Pelckmans, 2017) p. 35
7 Nietzsche, F., Thus Spoke Zarathustra (Londen: Penguin Classics, 2003) p. 11

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s